zondag 21 september 2014

Dead city

Rabaul – Kokopo – Lae – Salamaua // 30-08 – 08-09’2014 // Soundtrack by Patti Smith


Rabaul moet je bezoeken om het te verstaan, ook al is er geen zak te zien. Tot het eind van de twintigste eeuw werd het de mooiste stad van de Pacifiek genoemd. Tot de Mount Tavavur, de actieve vulkaan vlakbij, in 1994 letterlijk roet in het eten strooide. Een 1 tot 2 meter dikke laag vulkaanas verwoestte de stad. Op drie gebouwen na stortte alles in. Dit willen we met onze eigen ogen bekijken.
Het toeval wil dat we twee dagen nae en nieuwe uitbarsting aankomen. Locals vertelden ons dat het ditmaal ok was. Gedurende vier dagen krijgen we het gevoel er live bij te zijn geweest. Stof en as wordt opgeruimd. Van het oude centrum is werkelijk – buiten het Rabaul-hotel & de jachtclub – niets meer overgebleven. Hier en daar staan nog wat oude muren, maar er is vooral stof, veel stof. Wegens de nieuwe uitbarsting zien zelfs alle palmbomen & bananenplanten er verdrietig uit. Meer is er niet te zien. De gedachte in deze spookstad te zijn is cooler als het eigenlijke rondlopen.
Mt. Tavavur


Na twee dagen ontdekken we dat de daken niet zwart zijn.



































We ontsnappen en laten de mannen van’t stad hun straten & huizen schoonmaken. Leuk is het sowieso niet om met een stofmasker rond te lopen. We nemen een PMV naar de andere kant van het schiereiland en willen snorkelen. Bij het Submarine Base bezoeken we een Japanse basis uit de tweede wereldoorlog (Japan probeerde over PNG Australie binnen te dringen, op elke hoek van de straat ziet men rekwisieten). We bezoeken ondergrondse gangen bij de zee, bunkers en uitkijkposten op de rand van de hoge ravijn. Van daaruit krijgt men al een goed oog op het reef. We gaan snel in het water. Snorkelen is de max, dat vertelde ik al. Op zich zijn de verschillen met het Great Barrier Reef niet zo groot. Hier is het echter alweer speciaal op zijn manier. De koralen bevinden zich direct aan het strand en wat nog cooler is, na tien meter nemen ze een duik van 75 meter recht naar beneden. Een koraalmuur als het ware. Echt. Geestig!

Overal Japanse oorlogsrekwisieten te vinden.

















En scheepswrakken!

















75m koraal, recht naar beneden.





















Vlak voor we terug de eilanden verlaten en naar Lae (vasteland PNG) vliegen bezoeken we nog Kokopo. ‘t Is er redelijk laid-back, er is een gezellig drukke markt maar op zich is er niet veel te doen in deze nieuwe hoofdstad van New Britain.

In Lae is het niet meer zo chill. Onze reisgids waarschuwt voor een van de gevaarlijkste steden van het land. Er zijn namelijk veel settlements rond de stad, en daar moet je oppassen. Om te weten waarom moet men PNG een beetje begrijpen. Een sociale zekerheid zoals wij die kennen is er niet. Wel is 97% van het land verdeeld onder zijn inwonders (de andere drie procent gaat naar – ra ra – multinationals en de kerk). Dorpsmensen leven van niets anders als van hun land: tuinieren, of vissen. Voor westerse normen zijn ze arm, in de praktijk hebben ze in elk geval meer dan genoeg te eten. Een oerdegelijk en –oud systeem, wat tot op heden lijkt stand te houden. Met uitzondering van mensen in de settlements. Door het grote geld en het westerse big city life gelokt, in de sloppenwijk echter met de neus op de feiten gedrukt. Met het minimumloon van 2,25 Kina komt men niet ver (enkele voorbeelden – van elks de goedkoopste in de supermarket: pils 5K, blik tonijn 3K, sigaretten 12K, korte busrit 1-2K, gaan eten 10K=3euro). Dan wordt zo’n maag al eerder verwend met bananen en patatten uit de tuin.

Lae's gezellig drukke markt.



















Kort samengevat: veel interessantes heeft een grootstad niet te bieden voor een reiziger. Edoch, via couchsurfing leren we een levensstijl kennen die ons nog onbekend was. Die van de expats. We couchsurfen bij de kleinzoon van Mick Leahy. Deze persoon verkende in de jaren 30 de bergen in PNG op zoek naar goud. Vol verbazing stootte ie op honderden stammen. De verbazing bij de stambewoners was nog groter. Die kregen nog nooit een blanke man, laat staan een mes, een vuurwapen, een camera, een aansteker of een blik tonijn te zien. Stan Leahy is Australier, groeide hier op, studeerde in Australie en kwam terug om het familieverblijf verder te zetten. Via hem leren we zeer veel over Papua Nieuw Guinea. Bovendien krijgen we de kans ons als een vlieg op expatsfeesjes rond te bewegen. (Thanks for the good times, Stan & Mikal!)
Een nieuwe ervaring. We hadden wat vooroordelen – die vaak bevestigd werden (de meeste expats mengen zich niet onder locals, scheppen hier geld voor een jaar of twee, willen hier niet zijn, interesseren zich niet in hun nieuwe land, kijken neer op de locals & durven – of mogen – zich niet vrij rondbewgen) maar eerlijk is eerlijk: we leren gezellige & interessante mensen kennen. Via via worden we uitgenodigd in het strandhuis van John & Miranda – waar we vlakbij een weekendje gingen snorkelen. We genieten van geimporteerde luxe die we ons enkel thuis kunnen voorstellen: kaas, salami, meerdere ovenschotels, ham, ijs, chocolade. Als kers op de taart krijgen we een lift terug naar het vasteland.. op hun jacht. In een leren zetel zitten Inga en ik naast elkaar en lachen. Ze zijn best ok, die expats

Traditionele visserskano..

"onze" jacht (voor twee uren..)


















 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Een gedachte kan ik niet onderdrukken. Expats zijn in het buitenland op zoek naar een beter leven, naar een betere verdienste (of om ervaring op te doen als “vrijwilliger”).. Waar (of waarom?) trekt men de grens tussen hen en immigranten?

1 opmerking: